Er was iemand die me iets vroeg.

Een ogenschijnlijk simpele vraag en ik voelde dat mijn lichaam zich even terug trok.

Alsof het antwoord nog onderweg was.

Alsof er iets ruimte nodig had.

๐„๐ž๐ง ๐ค๐ฅ๐š๐ง๐ค ๐๐ข๐ž ๐ง๐จ๐  ๐ง๐ข๐ž๐ญ ๐ฎ๐ข๐ญ๐ ๐ž๐ฌ๐ญ๐จ๐ซ๐ฏ๐ž๐ง ๐ข๐ฌ
Ik ken het goed om direct een antwoord te hebben. Hoppa, lekker snel, helder en passend.

En nu bleef ik even stil.

Ik keek naar haar ogen. Naar haar.

Naar de manier waarop ze haar vraag in de ruimte had gelegd.

En ik voelde de vraag nog even blijven hangen, zoals een klank die nog niet uitgestorven is.

Dat moment, daar.

Tussen vraag en antwoord.

Tussen het weten en het niet-weten.

Dat is een fenomeen op zich.

Een leegte lijkend, maar een geladen ruimte.

Een plek waar het antwoord niet van mij of de ander is, maar van iets wat in / tussen en door ons (heen) beweegt.

๐‡๐ž๐ญ ๐ฏ๐ž๐ซ๐ฌ๐œ๐ก๐ข๐ฅ ๐ญ๐ฎ๐ฌ๐ฌ๐ž๐ง ๐ž๐ž๐ง ๐ซ๐ž๐š๐œ๐ญ๐ข๐ž ๐ž๐ง ๐ž๐ž๐ง ๐ซ๐ž๐ฌ๐ฉ๐จ๐ง๐ฌ ๐ณ๐ข๐ญ ๐ฉ๐ซ๐ž๐œ๐ข๐ž๐ฌ ๐๐š๐š๐ซ.
In het tempo, in de timing en in het vertrouwen van de tijd die het nodig heeft om zich te vormen.

Zoals een golf die uitrolt op het strand,

in haar eigen tempo.

Niet sneller dan ze moet.

Niet trager dan ze is.

Ook dat is fenomenologie. Aanwezig zijn bij wat nog geen taal heeft, maar toch al spreekt.

Bron foto – onbekend