𝐌𝐞𝐭 𝐳𝐨𝐧𝐝𝐞𝐫
We kwamen aan op onze plek in Flevoland. Een oud besje van een stacaravan aan het Veluwemeer. Geen stromend water.
Een kleine ramp in het grote niets. Gelukkig was daar een monteur.
Hij kwam om iets technisch op te lossen, maar bracht dit weekend iets veel groters mee.

We raakten aan de praat.
Tussen de leidingen door vertelde hij dat hij zes kinderen heeft.
Vijf overleden. Eén leeft.
Hij benoemde ze stuk voor stuk.
Niet met drama, maar met een heldere vanzelfsprekendheid.

En terwijl hij sprak, zakte zijn stem een toon lager.
Diep, gedragen. Zoals een oude wijze indiaan zou kunnen klinken.
Hij vertelde over zijn dochter van 4,5 maand.
Zij is er. Zij is de betekenis.
Het raakte me op een plek waar geen woorden hoeven.

En tegelijk bracht het woorden terug.
Woorden van mijn dochter, die vaak dingen zegt als:
“Ik wil 𝐦𝐞𝐭 𝐳𝐨𝐧𝐝𝐞𝐫 jas naar buiten.”
Of: “We gaan 𝐦𝐞𝐭 𝐳𝐨𝐧𝐝𝐞𝐫 opa.”
𝐌𝐞𝐭 𝐳𝐨𝐧𝐝𝐞𝐫.

Taal die klopt, precies omdat ze het niet probeert te kloppen.
Taal die benoemt wat er ontbreekt, zó dat het erbij hoort.
Ik moest denken aan hoe belangrijk het is dat iedereen in het systeem genoemd mag worden.

In beeld mag zijn.
Ook wie er niet meer is.
Juist zij.

Wat uitgesloten wordt, klopt op de deur.
Wat ingesloten wordt, vindt rust.

De monteur wist dat, zonder dat hij het zei.
Hij sprak zijn kinderen in de wereld.
𝐌𝐞𝐭 𝐳𝐨𝐧𝐝𝐞𝐫 lichaam.
Maar met volledige aanwezigheid.

En ik dacht: misschien is dát wat stromend water betekent.
Dat niets vast hoeft te blijven.
Dat alles mee mag in de stroom.
Wat er is.
Wat er was.
Samen aanwezig.
𝐌𝐞𝐭, 𝐳𝐨𝐧𝐝𝐞𝐫.