Ik vertrek vaak niet door de deur, maar door mijn lijf niet meer te bewonen. Het gebeurt soms plotseling. Ik ben aanwezig in een gesprek, ik knik, ik luister en toch ben ik er niet meer. Mijn blik wordt leeg, mijn adem hoog, mijn lijf voelt als een huls waaruit ik half verdwenen ben. Alsof mijn stoel leeg is, terwijl mijn lijf nog zit.
In mijn praktijk zie ik dit ook bij mensen die ik begeleid. Wanneer spanning oploopt, ongemak voelbaar wordt of vermoeidheid toeslaat, vertrekken ze. Hun blik verstart, hun adem stokt. Ze zijn er nog wel en tegelijkertijd ook niet meer. Dat moment van vertrek herkennen is vaak een sleutel van beseffen dat je wegschiet of wegzakt, nog voordat je weet waarheen.
En misschien is dat wel waarom het me zo raakt. Veel vraagstukken van cliënten raken aan identiteit, het leven & de dood en betekenis. Het lijf is het huis van waaruit ik in de wereld ben. Als ik dat huis verlaat, verlies ik de bedding van mijn bestaan. Terugkeren is geen luxe, maar een manier om mijn lijf te blijven bewonen en daarmee aanwezig te zijn in mijn eigen leven met de betekenis die ik zelf ben.
Het lijf als huis
De fenomenologie leert ons dat ons lijf meer is dan een object dat we “hebben”. Het is de plaats van ons bestaan, het fundament van hoe we in de wereld staan. Merleau-Ponty schreef dat we altijd al via ons lichaam verbonden zijn met de wereld om ons heen. Het lijf is geen instrument, het is ons eerste huis.
Vertrekken is een manier om onszelf in veiligheid te brengen. Wanneer we vertrekken, voelt dat huis tijdelijk (kan ook een split second zijn) onbewoonbaar. Het lijf dat bedding en veiligheid biedt, wordt een plek van onrust. Te veel spanning, te veel prikkels, te veel nabijheid en ineens trekken we eruit – nog zonder dat we het zelf doorhebben.
De vijf bewegingen van vertrek
1. Naar boven schieten | in mijn hoofd Soms vertrek ik naar boven, maar blijf ik nog wel in mijn hoofd. Mijn gedachten nemen het over. Ik analyseer, herkauw, stel me scenario’s voor. Mijn hoofd draait overuren en ondertussen voel ik mijn lijf steeds minder.
Het is een vertrek dat op het eerste gezicht nuttig lijkt. Ik probeer grip te krijgen door te denken. Maar in werkelijkheid raak ik verwijderd vanen uit mijn lijf. Mijn adem blijft hoog, spanning in mijn schouders neemt toe, mijn voeten verliezen contact met de grond en mijn lichaam wordt decor voor mijn gedachten.
2. Naar boven schieten | uit mijn hoofd Er is ook een ander soort naar boven gaan. Niet in mijn hoofd, maar juist uit mijn hoofd. Dan voelt het alsof ik opstijg, los van alles wat vast en zeker is. Er opent zich een veld dat eindeloos is, waarin ik niet meer gebonden ben aan mijn eigen lichaam.
Wouter Kusters noemt dit een extatische uittocht van het denken. Het verstand schiet niet alleen alle kanten op, maar overstijgt zichzelf. Het opent een universum van betekenissen, waarin je tegelijk bevrijd en vervreemd kunt raken.
Ik herken dat sterk. Als kind maakte ik vaak zulke mystieke ruimtereizen. In gedachten zweefde ik door landschappen die oneindig en mystiek leken. Ik betrad andere werelden. Als volwassene kan dat nog steeds gebeuren – in het klein, wanneer ik me even laat meevoeren, of in het groot, wanneer ik mezelf volledig verlies in die ruimte.
En met de jaren kwam er ook iets anders bij, namelijk angst. Angst dat ik daarboven zou blijven hangen, dat ik niet meer terug zou komen. Dan voelt de extatische vlucht niet meer als ruimte, maar als verdwalen. Als een doolhof waar geen uitgang is. In ieder geval niet terug naar hier, naar het leven in het hier en nu met het lichaam dat ik heb. Misschien is dat de reden dat de film Interstellar, het universum en zwarte gaten mij zo fascineren.
3. Naar beneden zakken | de zwaarte Soms is de beweging precies tegengesteld. Mijn lijf wordt zwaar, mijn adem traag, mijn energie trekt zich terug. Ik voel mezelf wegzakken, alsof de grond me opslokt. Verdrinkend in kleverige zwaarte.
Simone Weil schreef hierover als ‘la pesanteur’ – de zwaartekracht die ons naar beneden trekt. Voor haar was zwaarte niet alleen fysiek, maar ook existentieel. Het gewicht van het leven, de last van bestaan. Alles heeft de neiging te vallen, te bezwijken onder zijn eigen gewicht.
Zo ervaar ik het soms ook. Dat mijn lijf zichzelf naar beneden trekt, dat ik langzaam uitdoof. Er is geen helderheid of vlucht, maar een doffe verstilling. Alsof ik door de vloer zak en daar blijf liggen, zonder beweging, zonder woorden.
Fenomenologisch verschijnt dit zakken als een verschuiving in mijn hele ervaring.
- Ruimte – de wereld krimpt, de wanden komen dichterbij, de lucht wordt zwaar.
- Tijd – alles vertraagt. Minuut na minuut sleept zich voort. Toekomst en verleden verdwijnen; er is alleen dit trage nu.
- Lijf – mijn adem zinkt weg, mijn spieren sluiten zich. Het lijf voelt massief, alsof er geen opening meer is.
- Relatie – anderen zijn er wel, maar bereiken me niet. Hun stemmen klinken gedempt, hun aanwezigheid glijdt langs me heen.
“In die momenten is het bijna onmogelijk om uit mezelf terug te keren. Het voelt als een gevecht met de zwaarte zelf. Soms helpt alleen wachten, of een zacht gebaar van buitenaf. Een aanraking, een stem, iets dat me weer optilt.”
4. Naar buiten verdwijnen | de blik van de ander Er is ook een vierde beweging. Ik vertrek niet omhoog of omlaag, maar naar buiten toe. Dan leef ik in de blik van de ander. Ik pas me aan, spiegel verwachtingen, verlies mezelf in wat ik denk dat er van me gevraagd wordt. Ik ben er nog wel, ik functioneer, maar ik ben niet meer met mezelf aanwezig.
Relationeel merk ik dat mijn centrum verschuift. Soms lijkt de ander groter dan ikzelf en verdwijn ik in hun blik. Soms voelt het alsof ik er wel ben, maar zonder binnenkant. En soms is er alleen leegte in mij, waardoor de ander mijn hele ruimte vult. In al die gevallen woon ik mezelf niet meer van binnenuit, maar verschuif ik naar buiten.
Fenomenologisch verschijnt dit vertrek als een subtiele verplaatsing van zwaartepunt.
- Ruimte – mijn binnenruimte wordt dun, bijna doorzichtig. De ruimte tussen mij en de ander wordt des te sterker geladen.
- Tijd – mijn eigen ritme en innerlijke tijd verdwijnen naar de achtergrond. Alles concentreert zich op het ogenblik van interactie, het nu van de ander.
- Lijf – mijn adem past zich aan, wordt kleiner of hoger. Mijn houding zoekt een vorm die niet stoort. Ik voel mezelf minder van binnenuit, alsof ik meer “uitstraling” ben dan aanwezigheid.
- Relatie – nabijheid is intens, maar ongelijk. Ik besta in de ogen van de ander, maar ben minder bewoond in mezelf.
Dat kan veilig lijken en voelen, zolang ik afgestemd ben, lijkt alles goed te gaan. Maar ondertussen word ik onbewoonbaar voor mezelf. Ook dit vertrek is een poging tot veiligheid. Door in de ander te verdwijnen, hoef ik de spanning in mezelf niet te voelen.
5. Naar binnen vluchten | verdoving en afleiding Er is ook een vijfde beweging. Ik vertrek niet omhoog, omlaag of naar buiten, maar naar binnen, in de verdoving. Ik noem het Netflix-vertrek, maar het kan ook scrollen zijn, eten, drinken, gamen. Het is de beweging waarin ik me niet verplaats, maar mezelf overspoel met prikkels of juist demp met ruis.
Ik ken het goed van mezelf. Even een Netflixje, gewoon om niet hier te hoeven zijn. Het licht van het scherm als een deken over de werkelijkheid. Soms kijk ik tot ik in slaap val, niet omdat het programma zo meeslepend is, maar omdat ik even niet aanwezig en beschikbaar hoef te zijn.
Waarom vertrekken we?
Vertrekken is vaak geen keuze, maar een reactie. Fenomenologisch gezien verschijnt vertrek precies daar waar veiligheid wankelt. Heidegger beschrijft ons bestaan als In-der-Welt-sein (in de wereld zijn). We zijn altijd al verweven met een wereld van dingen, taken en anderen.
Die wereld verschijnt ons niet neutraal, maar geladen. Soms als vanzelfsprekend vertrouwd, zoals het ritme van ademhalen, een tafel die je gewoon gebruikt, een gesprek dat stroomt (Zuhandenheit). Maar soms verschijnt de wereld vreemd, bedreigend of ongewoon – een blik die je bevriest, stilte die te luid klinkt, een ruimte die je overspoelt (Unheimlichkeit).
Onveiligheid is dus niet alleen een innerlijk gevoel, maar een breuk in de vanzelfsprekendheid van ons-zijn-in-de-wereld. Het vertrouwde houvast glipt weg. Het huis van het lijf voelt niet meer bewoonbaar, de wereld niet meer draaglijk.
In zulke momenten zoekt het bewustzijn een uitweg. Vertrekken verschijnt dan als een poging om veiligheid te herstellen. Omhoog in die gedachten, omlaag in de zwaarte, naar buiten in de blik van de ander of naar binnen in verdoving.
Maar vertrek kan ook een andere kleur hebben. Niet altijd ingegeven door onveiligheid, maar soms door iets dat ons onverwacht meeneemt en soms is het ook een bewuste keuze. Iemand zegt een woord, of je ruikt iets, en plots dwaal je af. Naar die plek in Azië waar je ooit was, naar het strand waar de ander net naar verwees. Je lijf is nog hier, maar je geest reist elders. Ook dat is een vorm van vertrekken. Uit herinnering, verbeelding, verlangen.
Terugkeren in het lijf
De kunst is niet om vertrek te vermijden, maar om de weg terug te vinden. Hoe neem je opnieuw plaats in je lijf? Soms begint het klein. Mijn voeten voelen, mijn adem volgen, mijn hand tegen mijn borst leggen. Soms groter. Een blik van een ander, een aanraking, iets wat me roept.
Fenomenologisch is terugkeren niet hetzelfde als ‘oplossen’. Het gaat niet om beter functioneren, maar om opnieuw bewoonbaar worden in jezelf. Of ik nu in mijn hoofd schiet, uit mijn hoofd opstijg, naar beneden zink of ergens buiten mezelf verdwijn. Telkens verlaat ik het huis waarin ik eigenlijk thuishoor. De essentie ligt niet in het vertrekken, maar in telkens opnieuw terug durven keren.
Want als ik niet in mijn lijf aanwezig ben, kan ik de ander ook niet werkelijk ontmoeten. Mijn vertrek scheurt een gat in het contact, want aanwezigheid in mezelf is de voorwaarde om present te zijn met de ander. En misschien nog fundamenteler, het lijf is het huis van waaruit ik in de wereld ben. Als ik dat huis telkens verlaat, verlies ik de bedding van mijn bestaan. Terugkeren is geen luxe, maar een manier om mijn lijf te blijven bewonen en daarmee aanwezig te zijn in mijn eigen leven met de betekenis die ik zelf ben.
Hoe vertrek jij? En hoe vind jij de weg terug?
